Een goedgemutste Canadees

Het is ondertussen enkele jaren geleden dat ik nog verschillende keren per jaar naar China vloog voor mijn werk. Lange afstandsvluchten, grote luchthavens, mensenstromen rondom mij heen en ik ertussen laverend. En vaak ‘wachten’. Wachten voor check-in, wachten voor veiligheidscontrole, wachten voor boarding, wachten voor van alles. Dus dan maar mensen kijken. En bijvoorbeeld tijdens een bloedhete zomer in de luchthaven van Beijing een jongeman zien met een wollen muts op zijn hoofd.

Bij mijn eerste reis naar China zat ik vol spanning voor het grote avontuur met zoveel nieuwe indrukken. Mijn weg zoekend en vaak twijfelend of ik wel de juiste kant uit liep. Ik had geen hersencapaciteit vrij om echt naar de mensen rondom mij te kijken. Ik was met mezelf bezig: hoe veilig op bestemming aankomen in deze totaal nieuwe omgeving met alleen maar onbekenden. Alle zintuigen op scherp en in overlevingsmodus.

Azië – in mijn specifieke geval vooral China maar ook Singapore, Indië en Zuid-Korea – serveert je een portie vreemdheid om ‘u’ tegen te zeggen. Geen enkel houvast om hun schrift te lezen – logografische karakters zijn totaal anders dan alfabet letters –, of om hun woorden te verstaan – helemaal geen familie van ons Proto-Germaans, of zelfs Proto-Indo-Europees. Een cultuurschok.

Alles went.

Bij mijn laatste reis ‘daarheen en weer terug’ was ik rustig en bedaard. Modus: ‘daar al geweest of al eerder gedaan’. Ervaring had me een hele set van gewoontes en kennis gegeven waarmee ik rustig het best en aangenaamst de lange afstandsvluchten door kon komen. Ik vond mijn weg in de luchthavens van Beijing en Hong Kong bij wijze van spreken blindelings.

Van zodra ik ‘gewoon’ begon te reizen en niet meer in overlevingsmodus – en dat gaat sneller dan je denkt -, begon ik te kijken naar de verhalen die zich rondom mij afspeelden. Ik zag mensen praten en handelen en ik kon er een hele achtergrond bij fantaseren als ik wilde.

Die ene zomer zat ik te wachten in de vertrekhal van de luchthaven van Beijing om mijn bagage in te checken. Het was bloedheet buiten. Het was binnen nog steeds zeer warm. In tegenstelling tot de airco’s in vergaderzalen en hotelkamers lukte het de airconditioning in het reusachtige luchthavengebouw niet om van de vertrekhal een ijskast te maken. Ik had een plekje op een bank gevonden, zat geduldig te wachten tot de check-in balie zou openen en keek rond naar de mensen rondom mij.

De westerse jongeman die wat verderop naast zijn grote valies stond, viel me op. Het was zeer warm binnen en toch had hij een wollen muts over zijn hoofd. Dat moest toch ongemakkelijk zijn en door het zweet gaan jeuken? Lichte nieuwsgierigheid waar ik verder niets mee van plan was. Ik ging geen onbeleefd nieuwsgierige vragen gaan stellen aan een wildvreemde. Neen. Ik keek verder naar de andere mensen.

Wat later schoof hij enkele personen voor mij aan in de check-in rijen en weer viel me die muts op. Maar hij gaf zijn valies af en liep verder. En toen was het de beurt aan mijn valies om op de band gezet te worden. Mijn praktische zelf nam over en eens van mijn valies verlost, begon ik kordaat te stappen naar de volgende etappe van de reis: luchthaventrein naar de internationale-vluchten-zone,  veiligheidscontrole, taxfree en dan naar de gates.

Iets voor mij liep de jongeman met de muts met aarzelende tred. Het deed me denken aan hoe ik mezelf bij mijn eerste reis had voelen stappen door deze luchthaven. Onzeker of ik wel in de juiste richting liep. En aan hoe een totaal onbekende westerlinge, duidelijk geoefend in reizen, me zonder veel poeha of verplichting om te babbelen me had gerustgesteld en had bevestigd dat het de goede weg was naar mijn internationale vlucht terug. Toen was ik het groentje geweest dat werd gerustgesteld. Nu was ik de geoefende reiziger die iemand anders zag twijfelen. Tijd om die deugddoende steun van toen door te geven aan een nieuwe reiziger.

‘Excuseer, zoek je de weg?’ vroeg ik in internationaal Engels. En dan ontspon zich volgend gesprek. Ja, hij was niet zeker dat hij de juiste richting uitliep voor zijn vlucht. Hij moest een internationale vlucht hebben met luchtvaartmaatschappij X, liet zijn boardingticket zien en… Bleek dat hij niet bij dezelfde gate als ik moest zijn, maar wel bij een gate in dezelfde zone. Ik stelde hem gerust. Ik moest daar ook heen en ik kon hem de weg uitleggen. Maar als hij wilde, kon hij me gewoon volgen naar de luchthaventrein en tot na de veiligheidscontrole. Hij knikte.

Er viel een zorg  van hem af en plots liep er een levendige jonge spraakwaterval naast mij. Waar kwam ik vandaan? Van België. In Europa. ‘Flanders Fields’? Ha, ja. Hij was van Canada en was naar China gekomen als student voor een jaar. Het bleek niets voor hem. Hij kon helemaal niet aarden, alles was zo vreemd. En ook hoe zijn studiegenoten zich gedroegen, was zo vreemd. Hij kon met niemand praten. En het bleef raar en vreemd, het werd niet beter, maar hij kon het jaar niet zomaar afbreken. Hij had moeten volhouden. Zijn heimwee was hels geweest. Maar nu was de tijd eindelijk gepasseerd. Hij mocht naar huis. Hij had thuis zo gemist. Zijn familie. En zijn grootmoeder die hij zo graag wilde terugzien. Zij had hem deze muts gegeven. Hij vloog naar huis en het zou daar koud zijn nu, dat wist hij. Dus had hij alvast zijn wollen muts opgezet. ‘Is dat niet wat warm hier?’ vroeg ik, maar hij schudde zijn hoofd. Door zijn muts op zijn hoofd voelde hij zich al een beetje daar in Canada bij zijn grootmoeder, ook al moest hij nog vele uren vliegen. En dat gevoel was belangrijker. Hij liep naast mij met een brede glimlach. Over borrelend van geluk.

In de rij naar de veiligheidscontrole nam ik uit mijn buikbuidelhandtas mijn paspoort, boardingkaart en de ingevulde gele vertrekkaart die de Chinese immigratiedienst steeds zo graag wil hebben. Track en traceer. Ik zag dat die gele kaart hem niets zei, dus hielp ik hem aan een leeg exemplaar en leende hem mijn balpen zodat hij het juist op tijd kreeg ingevuld. Gelukt. Geen bureaucratische hindernis meer op zijn weg naar huis. Wat verderop keerde hij zich naar de gang in de richting van zijn gate. Ik moest de andere kant uit. Bedankt voor de hulp. Graag gedaan. Goede reis naar België. Goede reis naar Canada. Hij stapte weg maar na enkele meters draaide hij zich nog even om en zwaaide. Ik zwaaide terug.

Een jonge Canadees vloog naar huis. Zijn oma-muts ver over de oren. Ingelukkig.

4 gedachten over “Een goedgemutste Canadees

  1. Dit is weer een heel leuk verhaal en je hebt het best spannend gemaakt, ik was meteen al nieuwsgierig waarom hij die wollen muts droeg. Top geschreven!

    Like

Geef een reactie op Els Reactie annuleren