Een goedgemutste Canadees

Het is ondertussen enkele jaren geleden dat ik nog verschillende keren per jaar naar China vloog voor mijn werk. Lange afstandsvluchten, grote luchthavens, mensenstromen rondom mij heen en ik ertussen laverend. En vaak ‘wachten’. Wachten voor check-in, wachten voor veiligheidscontrole, wachten voor boarding, wachten voor van alles. Dus dan maar mensen kijken. En bijvoorbeeld tijdens een bloedhete zomer in de luchthaven van Beijing een jongeman zien met een wollen muts op zijn hoofd.

Bij mijn eerste reis naar China zat ik vol spanning voor het grote avontuur met zoveel nieuwe indrukken. Mijn weg zoekend en vaak twijfelend of ik wel de juiste kant uit liep. Ik had geen hersencapaciteit vrij om echt naar de mensen rondom mij te kijken. Ik was met mezelf bezig: hoe veilig op bestemming aankomen in deze totaal nieuwe omgeving met alleen maar onbekenden. Alle zintuigen op scherp en in overlevingsmodus.

Azië – in mijn specifieke geval vooral China maar ook Singapore, Indië en Zuid-Korea – serveert je een portie vreemdheid om ‘u’ tegen te zeggen. Geen enkel houvast om hun schrift te lezen – logografische karakters zijn totaal anders dan alfabet letters –, of om hun woorden te verstaan – helemaal geen familie van ons Proto-Germaans, of zelfs Proto-Indo-Europees. Een cultuurschok.

Alles went.

Bij mijn laatste reis ‘daarheen en weer terug’ was ik rustig en bedaard. Modus: ‘daar al geweest of al eerder gedaan’. Ervaring had me een hele set van gewoontes en kennis gegeven waarmee ik rustig het best en aangenaamst de lange afstandsvluchten door kon komen. Ik vond mijn weg in de luchthavens van Beijing en Hong Kong bij wijze van spreken blindelings.

Van zodra ik ‘gewoon’ begon te reizen en niet meer in overlevingsmodus – en dat gaat sneller dan je denkt -, begon ik te kijken naar de verhalen die zich rondom mij afspeelden. Ik zag mensen praten en handelen en ik kon er een hele achtergrond bij fantaseren als ik wilde.

Die ene zomer zat ik te wachten in de vertrekhal van de luchthaven van Beijing om mijn bagage in te checken. Het was bloedheet buiten. Het was binnen nog steeds zeer warm. In tegenstelling tot de airco’s in vergaderzalen en hotelkamers lukte het de airconditioning in het reusachtige luchthavengebouw niet om van de vertrekhal een ijskast te maken. Ik had een plekje op een bank gevonden, zat geduldig te wachten tot de check-in balie zou openen en keek rond naar de mensen rondom mij.

De westerse jongeman die wat verderop naast zijn grote valies stond, viel me op. Het was zeer warm binnen en toch had hij een wollen muts over zijn hoofd. Dat moest toch ongemakkelijk zijn en door het zweet gaan jeuken? Lichte nieuwsgierigheid waar ik verder niets mee van plan was. Ik ging geen onbeleefd nieuwsgierige vragen gaan stellen aan een wildvreemde. Neen. Ik keek verder naar de andere mensen.

Wat later schoof hij enkele personen voor mij aan in de check-in rijen en weer viel me die muts op. Maar hij gaf zijn valies af en liep verder. En toen was het de beurt aan mijn valies om op de band gezet te worden. Mijn praktische zelf nam over en eens van mijn valies verlost, begon ik kordaat te stappen naar de volgende etappe van de reis: luchthaventrein naar de internationale-vluchten-zone,  veiligheidscontrole, taxfree en dan naar de gates.

Iets voor mij liep de jongeman met de muts met aarzelende tred. Het deed me denken aan hoe ik mezelf bij mijn eerste reis had voelen stappen door deze luchthaven. Onzeker of ik wel in de juiste richting liep. En aan hoe een totaal onbekende westerlinge, duidelijk geoefend in reizen, me zonder veel poeha of verplichting om te babbelen me had gerustgesteld en had bevestigd dat het de goede weg was naar mijn internationale vlucht terug. Toen was ik het groentje geweest dat werd gerustgesteld. Nu was ik de geoefende reiziger die iemand anders zag twijfelen. Tijd om die deugddoende steun van toen door te geven aan een nieuwe reiziger.

‘Excuseer, zoek je de weg?’ vroeg ik in internationaal Engels. En dan ontspon zich volgend gesprek. Ja, hij was niet zeker dat hij de juiste richting uitliep voor zijn vlucht. Hij moest een internationale vlucht hebben met luchtvaartmaatschappij X, liet zijn boardingticket zien en… Bleek dat hij niet bij dezelfde gate als ik moest zijn, maar wel bij een gate in dezelfde zone. Ik stelde hem gerust. Ik moest daar ook heen en ik kon hem de weg uitleggen. Maar als hij wilde, kon hij me gewoon volgen naar de luchthaventrein en tot na de veiligheidscontrole. Hij knikte.

Er viel een zorg  van hem af en plots liep er een levendige jonge spraakwaterval naast mij. Waar kwam ik vandaan? Van België. In Europa. ‘Flanders Fields’? Ha, ja. Hij was van Canada en was naar China gekomen als student voor een jaar. Het bleek niets voor hem. Hij kon helemaal niet aarden, alles was zo vreemd. En ook hoe zijn studiegenoten zich gedroegen, was zo vreemd. Hij kon met niemand praten. En het bleef raar en vreemd, het werd niet beter, maar hij kon het jaar niet zomaar afbreken. Hij had moeten volhouden. Zijn heimwee was hels geweest. Maar nu was de tijd eindelijk gepasseerd. Hij mocht naar huis. Hij had thuis zo gemist. Zijn familie. En zijn grootmoeder die hij zo graag wilde terugzien. Zij had hem deze muts gegeven. Hij vloog naar huis en het zou daar koud zijn nu, dat wist hij. Dus had hij alvast zijn wollen muts opgezet. ‘Is dat niet wat warm hier?’ vroeg ik, maar hij schudde zijn hoofd. Door zijn muts op zijn hoofd voelde hij zich al een beetje daar in Canada bij zijn grootmoeder, ook al moest hij nog vele uren vliegen. En dat gevoel was belangrijker. Hij liep naast mij met een brede glimlach. Over borrelend van geluk.

In de rij naar de veiligheidscontrole nam ik uit mijn buikbuidelhandtas mijn paspoort, boardingkaart en de ingevulde gele vertrekkaart die de Chinese immigratiedienst steeds zo graag wil hebben. Track en traceer. Ik zag dat die gele kaart hem niets zei, dus hielp ik hem aan een leeg exemplaar en leende hem mijn balpen zodat hij het juist op tijd kreeg ingevuld. Gelukt. Geen bureaucratische hindernis meer op zijn weg naar huis. Wat verderop keerde hij zich naar de gang in de richting van zijn gate. Ik moest de andere kant uit. Bedankt voor de hulp. Graag gedaan. Goede reis naar België. Goede reis naar Canada. Hij stapte weg maar na enkele meters draaide hij zich nog even om en zwaaide. Ik zwaaide terug.

Een jonge Canadees vloog naar huis. Zijn oma-muts ver over de oren. Ingelukkig.

’t Is Weer Voorbij Die Mooie Magnolia

Wanneer weet ik dat het lente is? Er is geen specifieke dag die de grens scherp afbakent tussen twee seizoenen. Het ene seizoen gaat geleidelijk over in het volgende. Er is altijd die schemerzone waar ze samen op de planken staan.

De lente betreedt het podium wel alsof er een ware marketing campagne mee gemoeid is: eerst verschijnen sneeuwklokjes en krokussen als verkenners – teasers die ons verlekkerd maken -, gevolgd door (trompet)narcissen als echte herauten: ze komt! Ze komt! ‘Daar is de lente, daar is de zon!’ (JDW)

En dan stuurt de lente een deel van haar hofhouding, de magnolia, het veld in. Nog voor alle groene blaadjes op struiken en bomen zich ontvouwen, nog voor andere bloesems ontluiken om zich te laven aan de zon, betreden de magnolia’s daar helemaal alleen het podium in vol bloemen-ornaat. Ze pronken als reuze boeketten.

Ik las op Wikipedia dat de Magnolia een groot en oud plantengeslacht is. Ze waren er al voordat er bijen rondvlogen op aarde en voor de bestuiving rekenden ze op kevers. En dat verklaart waarom de vruchtbladen van de magnolia zo veel taaier zijn dan andere bloemblaadjes: alleen zo konden ze indertijd veelvuldig keverbezoek onbeschadigd overleven. Ik wil niet doemdenken maar het gaat niet zo goed met onze bijenpopulaties die overal voor de bestuiving instaan. Misschien komt die oeroude eigenschap van de magnolia’s hen binnenkort terug goed van pas…

De magnolia’s hebben hun timing goed gekozen. Geen groen blad leidt de aandacht af. Geen andere boom is al zo ver. Maar zij wel. Het is hun toonmoment. Enkel dan, aan het begin van de lente, wanneer alle andere bomen en struiken nog kaal zijn of met bladeren nog in knop, kan je zien waar er overal magnolia’s staan. Er staan er meer dan je de rest van het jaar zou denken, omdat ze na hun glorie- en pracht-en-praal bloementoon-moment met hun gewone groene bladertooi verdwijnen tussen al het andere groene geweld.

Na 2020 is 2021 nog steeds een covid-jaar, waar we werken aan en hopen op betere tijden. We doen ons best, maar soms voelt het wel heel erg alsof wij mensen opgehokt zitten. We zijn veel meer alleen en niet-samen. Ik projecteer hier natuurlijk menselijk denken op het plantenrijk, maar voor mij voelt het alsof dit voorjaar de magnolia gaat voor verbondenheid: ze deelt het podium met andere bomen om samen te bloemen, euh, bloesemen. En dat is prachtig. Nog geen of weinig prille groene bladeren, maar wel overal grote boeketten-op-stam.

Geniet met volle teugen van zodra de voorstelling begint. Stel het niet uit, want je weet nooit hoelang het duurt. Het kan beginnen vriezen, hard regenen of stevig waaien en dan is het zo voorbij.

En ja, het is bijna voorbij nu. Onder de magnolia’s worden de sneeuwtapijten van gevallen bloemblaadjes steeds dikker. Elke windstoot blaast verder gaten in de boomboeketten.

‘Je dacht dat er geen einde aan kon komen, maar voor je het weet, is het alweer lang voorbij. Aan alles komt een einde.’ (GC)

Maar we hebben de belofte van volgend jaar. En van zodra de magnolia’s zich terugtrekken weg van het podium, gaat de lente helemaal crescendo voluit met het groenste groen en ‘zoveel kleuren blaadjes, zoveel kleuren overal. Zoveel kleuren zijn niet op te noemen maar ik zie ze allemaal.’ (GVM)

‘Daar is de zon. We gaan een eindje lopen. Daar is de zon en alleman die fluit. Daar is de zon en zet dat raam maar open, de kachel kan wel uit.’ (GVM)

Alle creatieve remmen los! Schoonheid. Samen genieten. Daar gaan we voor.

Met dank aan volgende zangers hun inspirerende liederen: Jan De Wilde (JDW) , Gerard Cox (GC) en Gerard Van Maasakkers (GVM)

‘Always’ maar niet overal

De habituele reiziger heeft in zijn valies een aantal zaken klaar zitten nog voor die echt voor een volgende trip wordt ingepakt. Bij mij is dat: een mini-reisapotheek, 5 zakdoekpakjes en maandverbanden voor 4 dagen.

Gewoonte is gemakkelijk. Gewoonte is ook gevaarlijk. Vooral als ik juist voor vertrek beslis om toch te wisselen naar mijn kleinere valies – hoe lichter en compacter, hoe gemakkelijker laveren onderweg -, mijn bagage overhevel, maar vergeet te controleren of die ook nog steeds voldoende standaard zaken bevat…

Dus daar stond ik dan in de badkamer van mijn hotelkamer in Seoul, hoofdstad van Zuid-Korea. Juist aangekomen op mijn logeerbestemming, juist ondervonden dat mijn regels besloten hadden om  veel vroeger op te treden en juist ontdekt dat er onvoldoende maandverbanden in die kleinere valies zaten. Voldoende voor deze dag en nacht, maar onvoldoende voor de rest van mijn zakenreis. Dju!

Maar zo’n inwendige vloek hielp me natuurlijk niet verder. De volgende dagen zaten volgepland. Geen ruimte voor een privé-queeste binnen de kantooruren. Nou ja, nood mag dan wet breken, maar dit privé probleem zou naar mijn zin de werk gang van zaken veel te veel storen. Dit wilde ik deze zelfde dag nog oplossen. Of ik nu Koreaans sprak of niet. (Niet. Ik converseer met mijn Koreaanse collega’s in internationaal Engels.)

Slag één.

Ik besloot naar de hotel-helpdesk te gaan waar ik alvast in het Engels kon worden geholpen. Ik had geluk en geen geluk. De baliebediende was een vrouw. Altijd gemakkelijker om zoiets van vrouw tot vrouw te bespreken. Maar al snel bleek dit artikel niet beschikbaar in het hotel en het kon ook niet bezorgd worden. Maar ze legde me wel vriendelijk uit waar in de buurt van het hotel zich een winkel bevond waar het kon worden gekocht. Ik besloot het als een mini-avontuur te zien en vertrok te voet op mijn missie ‘zoek, vind en koop maandverbanden’. Een kans om de stad vanuit een ander gezichtspunt te zien.

Slag twee.

Achteraf beschouwd, had ik haar moeten vragen om voor mij een briefje in het Koreaans te schrijven over wat ik nodig had om dat te kunnen tonen in de winkel. Maar ik dacht nogal naïef dat ik gewoon door de gangen van de winkel zou lopen en dan de internationale maandverbandmerkenlogo’s zou herkennen. Als het Amerikaanse leger tezamen met het Zuid-Koreaanse oefeningen houdt, zouden dan de Amerikaanse multinationals niet in hun kielzog gevolgd zijn, ook die die maandverbanden in hun assortiment hebben? Zoals Procter & Gamble met hun merk Always? Ik had geluk en geen geluk. De winkel vond ik vlot. Maar geen enkel westers logo te zien in de rekken. De winkelbediende was van het mannelijk geslacht. Ik sprak geen Koreaans. Hoe ging ik uitleggen wat ik zocht?

Driemaal is scheepsrecht.

Mijn ongemak dat ik iets moest vragen zonder het met woorden te kunnen zeggen, moest duidelijk op mijn gezicht geschreven gestaan hebben. De mannelijke bediende sprak geen Engels maar wilde me verstaan. Onze focus verhoogde en er volgde een vreemde dialoog in gebaren- en lichaamstaal met sporadisch een zinloos woord Engels en Koreaans.

Toen ik mijn lijf aan deze ongewone pantomime voelde beginnen, schoot de gedachte door mijn hoofd: ‘Kan dit lukken? Hoe beeld ik zonder één gesproken volzin op universele wijze de nood aan maandverbanden uit?’ Ik kan me helemaal niet meer herinneren welke gebaren ik precies heb gebruikt, maar de man had verbazend snel door wat ik nodig had.  Misschien kwamen hier om de vijf voet westerse vrouwen uit hun hotel voor hetzelfde? Anderzijds, het is niet zo’n heel lange lijst met dingen die een vrouw plots hoognodig kan hebben op reis…

Het was een verademing hoe voorkomend en gewoon hij met de vraag om ging. Hij dirigeerde me naar de gang en de rekken waar talrijke Koreaanse-merken-maandverbanden te vinden waren, toonde me op de verschillende verpakkingen de schetsen van beschikbare modellen, wees ook op de pictogrammen van 1 druppel, 2 druppels tot véél druppels en liet me dan achter om rustig mijn keuze te maken. Geen gedoe, geen gegniffel, helemaal niet gênant, wat het wel had kunnen zijn. Zoals ik al zei, de man was een en al voorkomendheid en discretie. Er wordt tegenwoordig zo druk gedaan over de ‘digitale klant ervaring’. Wel, de ‘gewone’ blijft zeker zo belangrijk. En dit was een rechttoe rechtaan klassieke maar superbe klantenservice en -ervaring. De ideaal gedoseerde en fijngevoelige hulpvaardigheid.

Lang leve de universele beeldtaal, of die nu met gebaren is tijdens een dialoog of met schetsen en pictogrammen op verpakkingen. Mijn keuze kon ik vlot maken. Ik betaalde aan de kassa en hij overhandigde me het pakket in een neutrale zak. Ik kon met een gerust hart aan mijn werkweek in Seoul beginnen. Privé probleem opgelost.

Kahm-sa-ham-nee-da! Dank u wel!

De regels van het spel

Speltheorie

Mijn tuin is mijn speelveld. Elk seizoen lente-zomer-herfst is als een toernooi van aaneengeschakelde ‘kampen’. Als iets lukt zoals vooropgezet, victorie!  Maar soms, ai, nederlaag. Of iets draait anders uit dan bedoeld en vaak genoeg zijn deze verrassingen meevallers: hoe het toeval ons ontdekkingen aan de hand doet. Natuurlijk, we leggen onze tuinkaarten met incomplete informatie en beperkte controle. Het klimaat en het weer kunnen als honden in een kegelspel alle plannen in de war sturen. Het doet ons spelen op twee niveaus: elk kamp op zich, en overkoepelend het uitdagende metaspel ‘naar best vermogen omgaan met onverwachte wendingen’. 

Wie zei nu ook alweer: “Het is niet de sterkste soort die overleeft, noch de meest intelligente. Het is de soort die zich het best aanpast aan verandering.”? Ik zocht het op. Het is niet Charles Darwin, ook al wordt het meestal verkeerdelijk aan hem toegeschreven waarschijnlijk omdat de quote geïnspireerd is op zijn werk ‘Origin of Species’. Maar de woorden kwamen uit de mond van business professor Leon C. Megginson. (https://www.darwinproject.ac.uk/people/about-darwin/six-things-darwin-never-said/evolution-misquotation)

De weergoden vallen buiten mijn controle. Ik doe mijn best om mijn tuin doorheen alle seizoenen te loodsen ongeacht hoe vuil, euh, droog, nat, koud of heet het spel wordt gespeeld.

Een persoonlijke set spelregels

Wat buiten mijn invloed valt even buiten beschouwing gelaten, er zijn een aantal spelregels die ik mezelf heb opgelegd.

Mijn verboden:

  • Geen grastapijt. De reden is eenvoudig en zeer persoonlijk: ik ben allergisch voor grassen. Wanneer de buren hun gras maaien, moet ik maken dat ik binnen ben met de ramen gesloten of anders ben ik een aantal uren zoet met onafgebroken niezen en snuiten. Geen verrassing dus dat ik in mijn tuin géén gras wil dat ik wekelijks zou moeten kortwieken. Een ‘déjeuner sur l’herbe’ is alleen aan mij besteed als een zeer groot en dik picknick-deken mij op voldoende veilige afstand houdt van elke spriet gras.
  • Geen gif. Ik wil duurzaam tuinieren met respect voor de gezondheid van andere wezens. Het risico is te groot dat een deel van dat gif ergens anders terecht komt dan waar het voor bedoeld is en dood en verderf zaait onder bijvoorbeeld vogels of honingbijen. Je weet misschien waar je het gif initieel strooit of spuit, maar niet waar het finaal eindigt en daar onbedoelde slachtoffers maakt.
  • Geen drinkwater. Planten gieten mag enkel met opgevangen regenwater. Duurzaam tuinieren betekent voor mij spaarzaam omgaan met de beschikbare middelen. De afgelopen jaren hebben me geleerd dat onze watertafel geen onuitputtelijke bron is. Water is kostbaar.

Mijn geboden:

Ik ga in mijn tuin voor dat wat ik nuttig vind. Mijn nuttig betekent dat het voldoet aan een van volgende criteria: mooi, aromatisch, lekker, plezierig, avontuurlijk en/of duurzaam.

Toen ik met mijn tuin begon, voldeed elk perk eenvoudig aan één criterium: mooie bloemen om naar te kijken of boeketten mee te verrijken, aromatische kruiden om mee te koken, lekkere groenten voor op tafel en kleinfruit om van te snoepen. Dat breidde zich uit van plantenrijk naar dierenrijk: een vogeldrinkschaal om vogels vrolijk in te zien badderen en enkele bijenhotels voor solitaire bijen. Want de afgelopen jaren zoemen er bij ons opvallend minder bijen rond dan voorheen en dat heeft zo zijn nadelig effect op de bestuiving van àlle bloemen. Mijn bijenhotels zijn mijn bescheiden bijdrage om onze bestuivers te helpen. En hopelijk zoemen ze dan volgende lente eerst wat in mijn tuin rond, van bloem tot bloem in mijn groenten- en fruitperken, voor ze andere oorden opzoeken.

Eetbare bloemen

Over de jaren heen, als het ware als een hoger spellevel, is het extra leuk om over te gaan naar planten die voldoen aan verschillende criteria tegelijk.

Rode wondklaver is er zo een. Het is een mooi plantje en de bloementrossen trekken bijen en libellen aan. De eetbare blaadjes en bloemen kunnen zo in een salade. Of ik kan van de bloemen een kruidenthee trekken.

De Oost-Indische kers is een andere. De ronde blaadjes en kleurrijke bloemen fleuren een zomerse salade mooi op en geven een peperachtige smaak vergelijkbaar met tuinkers. De zaden op het juiste tijdstip geoogst, kan ik inmaken en gebruiken als pseudo-kappertjes.

De veelzijdigheid van de goudsbloem heb ik het afgelopen seizoen ‘ontdekt’. Het zijn vrolijke bloemen. Ze houden mieren op afstand; wat niet echt hoeft te verwonderen want in goudsbloemen zit de stof pyretrine die gebruikt wordt in insectenwerende middelen. De bloemblaadjes kan ik gebruiken om rijst, vis en vleessoepen een saffraankleur en een iets scherpere smaak te geven. Goudsbloemthee is ook mogelijk. Maar dit seizoen gaf het me de grootste voldoening om er goudsbloembalsem mee te maken. Ik citeer uit het hoofdstuk ‘medicinaal gebruik’: “Goudsbloem wordt vanwege de antiseptische, ontstekingswerende, wondhelende, samentrekkende en verzachtende eigenschappen al eeuwenlang uitwendig gebruikt tegen allerlei huidaandoeningen zoals schaafwonden, (…) zonnebrand, brandwonden, ruwe en schrale huid, (…) en eelt.” Ik smeer met veel plezier de balsem op al mijn in de tuin opgelopen huidkwetsuurtjes. En het werkt inderdaad!

Het blijft natuurlijk oppassen als je begint te gaan voor eetbare bloemen. Want niet àlle bloemen zijn eetbaar. Mijn jongste neefje had dat vorig seizoen verkeerd begrepen en wou proeven van enkele niet-eetbare bloemen. Gelukkig zag ik dat op tijd met dank aan ons beider bewaarengelen. “Maar alle bloemen in je tuin zijn toch eetbaar?” Neen, dus. Sómmige bloemen in mijn tuin zijn eetbaar maar dat mag zeker niet geëxtrapoleerd worden naar ‘allemaal’. Voor de veiligheid heb ik nu de twee zones in mijn tuin afgebakend en krijgt elke bezoeker duidelijk uitgelegd waar de grens ligt tussen de zone met eetbare bloemen en planten en de zone met niet eetbare.

Duurzamer, klimaat- en milieubewuster door het huis-tuin-en-keuken leven

Mijn spelregels zijn niet gebeiteld in steen. En één regel die verandert, kan het hele spel een heel andere uitkomst geven. Zo blijft het uitdagend. Ik kan me niet direct voorstellen dat de criteria mooi en lekker ooit vervallen, maar  wel dat er regels wijzigen om verder te groeien in het duurzaam tuinieren.

Om met plezier en vol avontuur klimaat- en milieubewuster door het huis-tuin-en-keuken leven te gaan.

Winterstop, wanneer we plannen smeden…

Vier seizoenen

Door onze specifieke woonplek op de aardbol zijn wij gezegend met de vier seizoenen lente, zomer, herfst en winter. Op sommige andere plekken heb je enkel regenseizoen of geen regenseizoen. En dat zijn maar twee voorbeelden van even zoveel andere. Wij hebben er hier dus heerlijk vier die elk verschillen en op hun eigen manier een plekje in mijn hart bezitten: lente is het frisgroenste groen en het indrukwekkendste staaltje van kiemkracht, zomer is de definitie van tot wasdom komen, herfst is het mooiste en rijkste kleurenpallet en winter is de kale sluimerende rust. Als we het geluk hebben dat er sneeuw valt, genieten we van enkele dagen witte verstilling-winter. Wanneer ik dan door het venster de sneeuwvlokken zachtjes zie neerdwarrelen, voel ik mijn kinderhart terug opspringen: ‘Ooooh, het sneeuwt!’

Van lente tot herfst geniet ik enorm van de geur van gezonde aarde en van de aroma’s van kruiden, bloemen en planten. Enkel in de winter wroet ik niet met mijn handen in de grond. Het weer te guur, de grond te koud en plantengroei in winterrust. En toch, ik zit niet stil.

Winterstop: het brein draait op volle toeren

Tijdens de winterstop smeed ik mijn tuinplannen voor het volgende jaar. De ervaringen tijdens de afgelopen lente-zomer-herfst zijn het startpunt: wat ging goed en was dus mooi, lekker, productief of gewoon een bron van plezier. En wat was dat niet en kan ik daar iets aan doen zonder gif in te moeten zetten? Want dat is een basisprincipe in mijn tuin: er wordt niet gespoten. De evaluatie bepaalt wat ik zeker opnieuw of echt niet meer ga planten, aangevuld met nieuwe experimenten uit pure nieuwsgierigheid, getriggerd door lectuur of informatie van andere hobby-tuinders.

Foto door Kridewit

De hittegolven van de laatste zomers nopen me tot enkele aanpassingen in mijn groenten-plan:

  • De vruchtgewassen zoals peper, paprika, courgette, komkommer, aubergine en tomaten in volle grond of in serre houden aanvaardbaar stand mits het gepast spannen van schaduw creërende lakens. Bij het hoogtepunt van de laatste hittegolf leek mijn tuin een en al laken. Niet echt een mooi zicht – daar wil ik nog iets op vinden want hittegolven worden door de klimaatopwarming het nieuwe normaal – , maar wel functioneel: deze groenten hebben het gered met minimale zonnebrandschade.
  • Bij de bladgewassen overleeft klassieke sla een hittegolf helemaal niet. Idem dito voor de gewone peterselie. Die volgend jaar opnieuw planten om ze dan weer te zien verdrogen, is ronduit pijnlijk en zinloos en ben ik dus niet meer van plan. Proefondervindelijk bleken mijn andere bladgewassen zoals spinazie, warmoes (of snijbiet), zuring en postelein beter bestand, dus dat worden blijvers.
  • Voor de kool- en peulgewassen is niet zozeer de hittegolf het probleem – de gespannen lakens doen ook hier hun werk – maar wel dat ze blijkbaar zo ontzettend aantrekkelijk zijn voor elke slak en rups. Van zodra de kolen beginnen te lukken, komen de koolwitjes rondgefladderd. Ongelooflijk hoe snel hun kroost de koolgewassen soldaat kan maken.
  • Met wortelgewassen heb ik al jaren een haat-liefde verhouding los van elke hittegolf. Ik zou ze zo graag eens zien lukken, maar elk jaar valt er weer wat anders tegen. Wortelzaad niet gekiemd wegens te lang te droge lente. Wortels met uitbundig loof doch verwaarloosbare wortel. Of rijen wortels door kleine knaagdieren per ondergronds netwerk verorberd, wat ik pas ontdekte toen ik onderzocht waarom al het wortelloof plots begon om te vallen: de wortels eronder waren gewoon opgesmikkeld. Het is alsof de klassieke oranje wortel in mijn tuin gewoon niet mag zijn. Alhoewel, dit jaar mag ik niet klagen, al heb ik het dan over andere wortelgewassen dan de klassieke peen: de pastinaak bezorgde me een mooie worteloogst. De peterseliewortel niet, maar ik kon wel heel de zomer zijn loof als peterselie in de keuken gebruiken toen de gewone peterselie al lang sinds de eerste hittegolf in de grond ineengeschrompeld was. Beide wortelgewassen worden dus blijvers.

De hittegolven van de laatste zomers nopen me ook tot aanpassingen in mijn tuin-plan. Tot deze herfst had ik enkel een 1 m³ regenwateropvangput en twee 120 liter regenwatertonnen. Het betekende van in het begin een strenge waterrantsoenering voor mijn groenten om elke lange droogteperiode door te komen. Want dat is ook een basisprincipe in mijn tuin: er wordt enkel gegoten met opgevangen regenwater. Drinkwater is veel te waardevol om in een hobby-tuin in te zetten. Het maakte dat ik afgelopen lente en zomer blij uitkeek naar elke regenbui en zelfs emmers klaarzette om zoveel mogelijk  regen te ‘oogsten’. De kurkdroge grond kreunde er gewoon om. Door deze ervaring heb ik intussen een 2m³ regenwateropvangput naast mijn serre bijgeplaatst en ik plan komende lente de andere regenwateropvangput te vervangen  door een grotere van 3 m³. Ik kan alleen maar hopen dat daarmee volgende zomer ‘watergewijs’ minder penibel verloopt.

Duurzamer tuinieren: zet bestaand materiaal creatief in of gebruik wat je tuin je biedt

In het boek ‘duurzaam en zelfvoorzienend leven in de 21e eeuw’ dagen de schrijvers ons uit om zoveel mogelijk aanwezig materiaal creatief in te zetten vooraleer nieuwe spullen in het tuincentrum aan te kopen. 

Dat was de rechtstreekse aanleiding om mijn oude serre-glasplaten niet af te danken naar het containerpark maar toch bij te houden. De glasplaten en een stapeltje oude klinkers heb ik afgelopen lente gebruikt om een semi-broeikas in elkaar te knutselen om kleine kiemplantjes een duw in de rug te geven. Met succes! Een geslaagd experiment, wat geeft dat een goed gevoel. Ik kijk nu met totaal andere ogen naar het glas en de klinkers: geen lastig sta-in-de-weg afval meer, maar bewezen nuttig materiaal. Over omdenken gesproken.

Ik heb afgelopen jaar ook hun ander idee toegepast om gesnoeide wilgentakken in te zetten als steunstokken voor de erwtplanten. Met één belangrijk aandachtspunt: laat de takken eerst goed drogen want anders schieten ze toch nog en krijg je voor je het goed beseft 10 nieuwe wilgjes…

Nieuwe geplande experimenten

Voor volgend jaar plan ik een derde idee uit hun boek uit te testen: om grote zonnebloemen als bonensteunen te gebruiken in plaats van de 3 klassieke stokken. Ik ben zeer benieuwd.

De nieuwe plannen zijn gesmeed. Ik popel al om aan de lente te beginnen.

Maar wacht, ho ho ho! Eerst nog van de stilte van de winter genieten…

‘Zero waste’, likeuren en een corona-virus

Wat met citrus afval?

Ik ben een citrusvruchtensnoeper van Sinterklaas tot Drie Koningen. Weinig smaakt zo puur intens lekker als citrusfruit in zijn topseizoen van juist voor Sinterklaas tot midden januari. Hoe de combinatie van smaak, textuur en aroma  van mandarijn, appelsien of roze pompelmoes dan op je tong en tegen je verhemelte ontploft: overheerlijk!

Maar hoe omgaan met het restant van de smulsessies: de citrusschillen? De handleiding van de tijgerwormencomposteerbak stelt klaar en duidelijk: ‘Tijgerwormen maken komaf met schillen of pellen van alle fruit en groenten, uitgezonderd van citrus, look en ajuin.’ Tja. Proefondervindelijk heb ik de afgelopen seizoenen vastgesteld dat beperkte dosissen ajuinschil wel composteren, het heeft alleen véél meer tijd nodig, en, dat citrus inderdaad voedsel is dat de tijgerwormen liever links laten liggen. Moet het dan onvermijdelijk bij het restafval?

Foto door Kridewit

Zelf thuis likeuren maken…

Op een koude winteravond begin december 2019 gaf herboriste Eva Engels een boeiende workshop over ‘Likeuren en siropen’ in het CC Asse mét praktijkoefening hoe er zelf thuis aan te beginnen. Ik beken, mijn initiële interesse en reden voor inschrijving waren louter de siropen. Maar ik nipte met muizenporties welwillend van de voorbeeldlikeuren, meestal bekkentrekkend bij het inslikken van de straffe alcohol en tegelijk besluitend dat één mini-slok inderdaad meer dan voldoende was. Uitzondering op de regel en dé revelatie van de avond: Eva’s frambozenlikeur. Man! Wat was die lekker! Toch dacht ik de avond zelf nog steeds dat ik nooit aan likeuren zou beginnen. Ik heb nu eenmaal  een lage alcoholtolerantie. De meeste alcoholdranken buiten de spreekwoordelijke uitzondering vind ik allesbehalve lekker. Heeft de thuisproductie van likeuren in dat geval niet iets onzinnigs of tegenstrijdigs?

Dagen later daagde het me dat verschillende likeuren op basis van citrusschillen worden gemaakt. Citroen limoncello, appelsien arancello… Toevallig vind ik deze wel lekker indien in kleine dosissen genoten. Aha! Eureka? Kon ik hiermee mijn citrusschillen een nuttige bestemming geven? De moeite waard om uit te proberen…

Eva Engels heeft me geleerd dat likeuren maken op zich niet zo moeilijk is. Het gaat om een combinatie van aromaten die je laat trekken in alcohol waar je suiker aan toevoegt. Het moet wel redelijk lang trekken voor de smaak zich volledig ontwikkeld heeft. Fase 1, het trekken van aromaten in alcohol, duurt 6 weken. Fase 2, de smaakontwikkeling of rijping, duurt minimaal 3 maanden. Pas dan weet je welke mix een winnaar is.

OK, zoveel was duidelijk, het zou experimenteren-met-geduld worden en het eerste jaar alvast met zeer bescheiden volumes. Het zou té zonde zijn van de grondstoffen alcohol en suiker om vele liters ‘mislukte-niet-te-drinken’ likeuren weg te moeten gieten.

… om zero-waste na te streven

Ik sloeg in de winter aan het experimenteren met citroen-, appelsien- en limoen-likeuren in gevarieerde gekruide samenstellingen en hield een eigen productielogboek bij om voor elke batch nauwkeurig na te kunnen vertellen hoeveel van welke ingrediënten wanneer in welke mix gingen, wanneer de mix gezeefd werd en wanneer op fles getrokken. Ik zag al voor me hoe ik vrienden en familie bij mij aan tafel zou uitnodigen in lente en zomer om steeds af te sluiten met een gezellige en amusante likeur-degustatie. Op basis van deze proefpanels zou ik het jaar erop mijn experimenten kunnen verfijnen en het volume voldoende opdrijven om al mijn citrusschillen te verwerken. Blijven snoepen van citrus in de winter, zero waste én gezellig samenkomen met familie en vrienden. Oh ja! Win-win-win!

Corona-virus strooit enigszins roet in het eten, euh, de drank.

In februari verschenen er berichten over ‘een coronavirus in Wuhan’. In maart startte de strenge blijf-in-uw-kot en verplaats-u-niet-tenzij-essentieel lockdown. Enige versoepelingen kwamen er pas wéken later. Uitgebreid mensen binnen aan tafel uitnodigen in lente of zomer kon ik vergeten. Op zo’n moment is er maar één oplossing: creatief uitvissen hoe en wat we kunnen aanpassen om veilig toch dingen mogelijk te maken, alleen op een andere manier dan ‘gewoonlijk’.

Mijn proefdegustaties gingen door van zodra blijf-in-uw-kot versoepeld werd, maar minder vaak, in kleinere groep en zonder maaltijd vooraf: buiten in de tuin, met maximaal 4 personen, ieder met zijn eigen meegebrachte glaasjes, de tuinstoelen op minimum 1.5m afstand en mondmasker verplicht van zodra iemand van zijn stoel opstond. Ondanks de beperkingen werd het heel gezellig. We hebben serieus geproefd, smaken vergeleken en beoordeeld, en dat gecombineerd met humor,  gelach en plezier. Toevallig-of-niet vonden de mannen resp. de vrouwen dezelfde likeuren lekkerder of minder lekker. En unaniem besloot iedereen dat elke likeur bestaansrecht had, geen enkele verdiende om door de gootsteen gekieperd te worden.

Creatief likeuren maken en daarna proeven was zo leuk, dat ik gewoon zin kreeg in meer. Waarom niet met zomervruchten uit mijn tuin likeuren maken, in navolging van Eva’s superlekkere frambozenlikeur? Waarom niet met koffie voor de grootste koffieliefhebbers in mijn familie en vriendenkring? Als ik met de lente- en zomervruchten aan de slag ging, zouden de verschillende likeuren voldoende gerijpt zijn tegen kerst. Misschien was tegen kerst ‘20 alles terug normaal en kon ik dan familie en vrienden voor het eten uitnodigen met een likeurproeverij achteraf? Ik begon al weer te dromen. En verder te experimenteren in de keuken. In de lente: likeuren van koffie of walnoten. In de zomer: van framboos of braam. Na de zomer: van druif.

Blijven genieten.

Winterlikeuren om van te genieten in de zomer. Zomerlikeuren om van te genieten tijdens kerst.

Misschien kan pas volgend jaar de proeverij binnenshuis als afsluiter na een gezamenlijke maaltijd met familie of vrienden. Misschien zal het nog een hele poos per vier buiten in de tuin te doen zijn, warm ingeduffeld en rond een vuurkorf als het echt te koud is. We weten nu uit ervaring: wat de situatie ook is, we houden het veilig, maar we màken het gewoon gezellig, lekker en leuk. Alleen anders.

Santé!

Meer over herboriste Eva Engels: www.bijgekruid.be

Kippen? Neen, tijgerwormen!

‘Waarom neem je geen kippen?’, kreeg ik als eerste repliek toen ik me begin 2019 hardop afvroeg wat ik kon doen om mijn keukenafval te verminderen. Gevolgd door: ‘Kippen eten alles en leggen er nog eieren bij.’ En dat klinkt op het eerste gezicht inderdaad enkel positief. Alleen… wanneer ik aan kippen denk, zie ik het beeld van een kaal gepikte ren waar geen enkele spriet gras het scharrelen van de kippen heeft overleefd.

Foto door Todd Trapani op Pexels.com

Ik heb geen grote tuin. De schaal ervan is ideaal voor mij om er met plezier in bezig te zijn zonder dat het een lastig corvee wordt. Mijn tuin is een bron van energie, zorgt voor zen-bezigheid en aromatherapie. Met bloemen voor hun vrolijke, kleurrijke, geurige schoonheid. Met kruiden om mee te kokkerellen. Een beetje groenten kweken op kleine schaal voor het avontuur.  En lekker snoepen van wat klein- en laagstamfruit. De gedachte om in dit tuinparadijsje kippen los te laten die geen spriet groen laten staan? Dan toch liever wat langer nadenken om de voor- en nadelen af te wegen. Wat zijn de echte feiten? Want hoe waar zijn de algemene boutades ? Tonen ze het volledige plaatje?

Eten kippen echt alles? In theorie. Bij kippenbezitters die ik persoonlijk ken, blijken kippen vooral kieskeurig en verwend qua voedsel. Pasta en rijst? Ja, laat maar komen. Schillen van aardappelen of witloof? Die blijven liggen. Daarbij worden de kippen bijgevoederd met aangekocht graan. Mmmmm.

Leggen kippen eieren? Ja. Maar, één kip is eenzaam en alleen, dus houden de mensen die ik ken minimum twee of drie kippen. En van zodra die na enkele weken groot genoeg zijn, start het leggen van eieren zonder dat er op een pauze-knop kan worden geduwd. Men zegt dat elke persoon maximaal twee eieren per week kan consumeren zonder al te nadelige gevolgen voor zijn cholesterol. Wie kippen wil, moet dus zelf een groot meerpersoonshuishouden hebben of zorgen voor een vast eieren-afzetgebied in de kennissenkring. Ik ben een klein huishouden en maak zelf al deel uit van het afzetgebied van andere kippenbezitters. Mmmmm.

Kippen zijn levende wezens die eten, drinken en een goed onderdak nodig hebben. Je kan niet zomaar voor een week op vakantie zonder dat iemand regelmatig langskomt voor hun natje, droogje en behuizing. Mmmmm.

En wat niet direct wordt verteld tijdens de kippen-alleen-maar-voordelen-serenade: de continue bezorgdheid en moeite om de kippen in leven te houden. Kippen worden blijkbaar bij nacht onvermoeid belaagd door hongerige en vindingrijke roofdieren: vos, marter, zelfs roofvogel… Als het kippenhok ’s nachts geen vesting is, vind je in de ochtend enkel veel losse pluimen naast hun leeggezogen kadavers. Mmmmm.

Kippen komen met nogal een rits aan andere problemen waar ik geen zin in heb.

Tijgerwormen!

En toen ging ik in de lente van 2019 luisteren naar Veerle Colle’s lezing over ‘Simplify Life: Zero Waste Rollercoaster’.  Veerle vertelde dat ze op een appartement woont en dus geen plaats heeft voor een klassieke composteerbak, maar dat zij een wormenbak op haar balkon heeft staan en dat dat goed zijn werk doet.

Tijdens de lezing had ik zo mijn bedenkingen. Wriemelende wormen? Klonk niet aantrekkelijk. Maar als ze het werk goed opknappen, mocht me dat niet tegenhouden. Na wat vooronderzoek op het internet besloot ik ervoor te gaan en mijn wormenbak-met-startvolume-tijgerwormen werd na de hittegolf in de zomer op mijn adres geleverd.

Sindsdien heb ik al vier seizoenen met mijn tijgerwormencomposteerbak achter de rug en ik ben helemaal voor.

Alle rauwe fruit- en groenteafval gaat naar de tijgerwormen die er komaf mee maken. Onderaan de composteerbak tap ik composteervloeistof af, de ‘wormenthee’, die ik verdund als vloeibare meststof geef aan mijn planten in huis, tuin en serre. Mijn moeder is ook een gretige afnemer omdat de wormenthee enkele wegkwijnende huisplanten bij haar thuis heeft doen heropleven. Wanneer de onderste laag in de composteerbak volledig verwerkt is door de wormenpopulatie, gebruik ik deze grond als extra voeding naast gewone potgrond bij het verpotten van planten en bij het planten van groenten. Tijgerwormen kunnen ook twee tot drie weken overleven zonder nieuw eten, dus vakanties op verplaatsing vormen geen enkel probleem.

Zijn er aandachtspunten?

Eén groot aandachtspunt: tijgerwormen zijn levende dieren, dus hou hen in leven en bescherm hen tegen extreme weersomstandigheden. Zet je bak op een plek beschermd tegen zon en regen. Tijdens een hittegolf worden anders de tijgerwormen gekookt. Bescherm je bak in de winter tegen vorst anders vriezen de wormen dood. Nou, daar kon ik voor zorgen zonder problemen.

Zijn er nadelen? Ja, maar ik heb er oplossingen voor gevonden die in mijn geval voldoen.

Nadeel 1: fruitvliegjes. Ze komen ongevraagd de wormenpopulatie vervoegen. In theorie zou je door een strikt beheer van hoe je het fruitafval toevoegt, de vliegjes kunnen vermijden. Ik heb dat geprobeerd en het is me niet gelukt. Ik heb de composteerbak op mijn terras wat verder weg gezet van het grote raam om te vermijden dat de fruitvliegjes de weg naar binnenshuis vinden. Dat is wel gelukt. Het voldoet.

Nadeel 2: we gaan voor compostering, niet voor rotting. Dus vlees, kaas, citrusvruchten en gekookt keukenafval kunnen niet in de tijgerwormenbak. De eerste maanden was ik al blij dat ik een goede oplossing had voor mijn rauw fruit- en groenteafval. Maar daarna wilde ik een stap verder gaan in de afvalvermindering. Het boek ‘duurzaam en zelfvoorzienend leven in de 21e eeuw’ toonde me een weg en sinds lente 2020 heb ik ook een bokashi-emmer naast de composteerbak op mijn terras staan. Een bokashi-emmer ‘composteert’ door anaerobe vergisting het vlees, kaas, citrusvruchten en gekookt keukenafval. Ik heb nog geen vier seizoenen achter de rug, maar de resultaten tot nu toe zien er positief uit.

Ondertussen is mijn tijgerwormenpopulatie al goed aangegroeid. Dus als iemand met een eigen wormenbak wil beginnen, kan je me gerust een startvolume tijgerwormen vragen.

Tijgerwormencompostering: een aanrader!

Stap voor stap richting ‘ZERO WASTE’

Geïnspireerd door Veerle Colle’s lezing ‘Simplify Life: Zero Waste Rollercoaster’, georganiseerd door het vormingpluscentrum Archeduc op 19 mei 2019.

Ze zeggen wel eens: “Je weet wel waar je begint, maar niet waar je eindigt.” Ze hebben gelijk. Na de inspirerende lezing van Veerle Colle zette ik mijn eerste stappen richting ‘zero waste’. En ja, je begint met één iets kleins, daarna met een tweede, een derde. Het een leidt naar het ander. Voor mij is het een bron van avontuur en plezier geworden. Een reis vol kleine ontdekkingen in eigen huis, tuin en leven. Ik ben er ondertussen in geslaagd om slechts elke twee maanden één vuilniszak buiten te zetten in plaats van wekelijks. En er is nog ruimte voor vermindering, dus ik ga door! Maar waar en hoe ben ik begonnen?

Piraminder – Eén van de spandoeken tijdens de ‘Simplify Life’ activiteit van Archeduc op 19 mei 2019

Mantra: word bewust en blijf genieten.

Niemand is vóór afval. En met de confronterende beelden van de ‘plastiek soep’ in onze oceanen voor ogen, wil ik gerust mijn steentje bijdragen. Maar iemand kan niet alles tegelijk en in één keer in zijn leven omgooien. Dus hoe eraan beginnen?

De lezing gaf de volgende leidraad en die volg ik vrolijk op:

  • Elke dag een stapje in de goede richting zetten.
  • Rekening houden met het milieu en het klimaat bij elke (koop-)actie.
  • Maar nooit ten koste van gezondheid of sociaal leven.
  • Vergelijk niet met anderen. Hun situatie en mogelijkheden zijn verschillend. Ga voor acties die passen in jouw eigen specifieke geval.

Met vijfmaal ‘R’ naar Zero Waste: Refuse, Reduce, Reuse, Rot en Recycle

Met vijfmaal ‘R’ naar Zero Waste

‘Refuse’: weiger (plastiek) verpakking. Ga voor korte keten winkels. Herontdek de kruidenier.

‘Reduce’: verminder, ruim op. Vraag jezelf: ‘Heb ik dit echt nodig?’, en, ‘Geeft me dit vreugde?’

‘Reuse’: hergebruik. Kies spullen uit grondstoffen die hergebruikt kunnen worden. Ga voor een drinkfles. Snuister in tweedehandswinkels.

‘Rot’: composteer. En is je tuin te klein voor een klassieke composteerbak, of heb je enkel een balkon: een wormenbak is echt de oplossing. (Tijdens Veerle’s lezing had ik mijn bedenkingen, maar ondertussen heb ik vier seizoenen achter de rug met mijn compacte tijgerwormencomposteerbak en ik ben helemaal voor! Maar dat is voer voor een andere blog.)

‘Recycle’: recycleer, als laatste middel.

Wat ik voor mezelf noteerde als ‘praktisch en relatief gemakkelijk toepasbaar’ uit de talrijke tips die Veerle Colle tijdens haar lezing gaf:

  • gebruik een tandenpoets-drinkbeker in plaats van het water te laten lopen
  • gebruik bokalen, drinkfles, drinkbus, brooddoos
  • weiger het kunststof rietje
  • verminder spullen
  • ontdek de weggeefgroepen
  • kies voor delen
  • ga naar lokale winkels of de markt met je eigen potjes en vermijd zo de wegwerpverpakking
  • plan je inkopen met behulp van een weekmenu, negeer promoties, hou je aan je boodschappenlijst
  • vermijd fastfood want dat is een wegwerpafval-keten bij uitstek
  • kook dus liever zelf, er bestaan veel eenvoudige recepten die even snel klaargemaakt zijn als een kant-en-klare hap opgewarmd
  • vind je gading in een kringloopwinkel
  • scheer je met een stalen of roestvrijstalen ‘safety razor’ in plaats van met wegwerpmesjes
  • geef tradities meer waarde
  • geef een cadeau in een sjaal of herbruikbare doek als ‘doorgeefverpakking’
  • geef een beleving in plaats van een cadeau (geef tijd)

Meer over:

De KRACHT van KWETSBAARHEID

Een boek van Brené Brown – ISBN 978 94 005 0248 2.

Ik heb onlangs het boek ‘De kracht van kwetsbaarheid’ van Brené Brown gelezen. Een echte aanrader: een gedreven en aanstekelijke oproep voor meer verbonden leven, werken, onderwijzen én opvoeden. Wat volgt, is een samenvatting van de kern van haar betoog.

Foto door Maria Pop op Pexels.com

Kwetsbaarheid is verschrikkelijk en verrukkelijk.

De mens is een sociaal dier. Verbondenheid is de reden van ons bestaan. Daarom ook heeft de evolutie ons uitgerust met dat grote, grijze en in walnootvorm geplooide ‘neocortex’-hersengedeelte: om te kunnen omgaan met vele en complexe sociale relaties.  Verbondenheid geeft ons leven richting en zin: alleen gaan we misschien sneller, maar samen komen we verder.

Om ons met elkaar te verbinden, is het nodig om ons open te stellen. En dat voelt enorm kwetsbaar aan. Kwetsbaar is echter niet hetzelfde als zwak of weerloos. We kunnen ons wel degelijk verdedigen indien nodig. En bewust weten waar en hoe we kwetsbaar zijn, helpt om minder gekwetst te worden!

Kwetsbaarheid vormt de kern van àlle emoties: angst, schaamte, verdriet, somberheid, teleurstelling, maar ook liefde, verbondenheid, geluk, moed, creativiteit, hoop, medeleven, verantwoordelijkheid en authenticiteit. Ons afschermen om ons minder kwetsbaar te voelen, sluit ons af voor àlle emoties, zowel de onaangename als de aangename en wél gewenste gevoelens.

Herken de invloeden van onze ‘nooit genoeg cultuur’. Herken schaamte en ga ertegenin.

Eén van de grootste struikelblokken om ons te durven openstellen, zijn gevoelens van schaamte. Schaamte is iets wat we allemaal wel ervaren, maar misschien niet in dezelfde schaamtecategorie. Er zijn twaalf schaamtecategorieën: uiterlijk en lichaamsbeeld, geld en werk, moeder-/vaderschap, familie, opvoeding, geestelijke en lichamelijke gezondheid, verslaving, seks, ouder worden, geloof, traumatische ervaringen en een etiket opgeplakt krijgen. Schaamte is eigenlijk angst voor niet-verbondenheid. En schaamte doet écht pijn. Hoe groter onze schaamte, hoe groter onze angst voor afwijzing, hoe meer we risico mijden en hoe minder innovatie of leren mogelijk is.

Wij leven helaas in een cultuur van ‘nooit genoeg’, in een cultuur van schaamte doortrokken: waar wordt vergeleken met onbereikbare, perfecte visioenen, waar er gebrek aan betrokkenheid is door onze angst voor risico’s, en waar mensen worstelen met hun eigenwaarde.

Het is aan ons om onze weerbaarheid tegen schaamte op te bouwen. Brené Brown noemt dit schaamtebestendigheid opbouwen: onszelf blijven wanneer we schaamte ervaren, de ervaring doorstaan zonder onze normen en waarden los te laten, en uit de schaamte-ervaring komen met meer moed, compassie en verbondenheid door contact te zoeken en te spreken met iemand uit onze ‘inner circle’. Want we zijn nooit de enige met dit soort gevoelens. En hoe minder we over schaamte praten, hoe meer grip schaamte op ons leven krijgt. Dus laat ons erover praten met de mensen die we vertrouwen en die dicht bij ons staan.

Als we schaamte achter ons willen laten en naar elkaar toe willen groeien, dan is kwetsbaarheid de weg en moed het licht.

Creëer meer betrokkenheid

Wij moeten leren inzien en accepteren dat winnen en verliezen beide bij het leven horen. En onszelf desondanks helemaal geven. Betrokkenheid tonen en onszelf laten zien, vraagt moed en een kwetsbare opstelling. Maar het resultaat mag er zijn: een bezield leven, leven vanuit het gevoel dat je de moeite waard bent. Hoe groter onze eigenwaarde, hoe gemakkelijker om onszelf open te stellen, om onszelf te laten zien als volhardend, betrokken en op onze manier creatief en innovatief.

Wij mensen hebben zeer vindingrijk een heel gamma van beschermingsstrategieën tegen kwetsbaarheid uitgedacht, om anderen op afstand te houden en een uitweg open te houden.  Brené Brown bespreekt deze ‘schilden’ in haar boek op ludieke en al te herkenbare wijze: wantrouwen tegen geluk, perfectionisme, zelfverdoving, strijder/slachtoffer-wereldbeeld, schijnwerpertactiek en snelkraaktactiek, zigzaggen en hatelijkheid, cynisme, kritiek en onverschilligheid. Ze geven ons misschien een veilig gevoel, maar ze zijn evenzeer benauwend en dodelijk vermoeiend. Ze bezorgen ons níet wat we écht willen. Hoe lukt het ons om ze los te laten?

De algemene ontwapeningsstrategie blijkt een gevoel van ‘genoeg’:

  • ik ben genoeg: ontwikkelen van een gezond gevoel van eigenwaarde i.p.v. schaamte
  • ik heb genoeg:  grenzen stellen i.p.v. wedijveren en vergelijken
  • het is genoeg als ik me openstel, risico’s neem en mezelf laat zien: gaan voor betrokkenheid i.p.v. een gebrek daaraan

Het loont de moeite om te analyseren waar we staan en waar we naartoe willen, wat onze waarden zijn en hoe we ze in praktijk brengen. Zowel op het werk als thuis. Want de afstand tussen onze praktijkwaarden en onze streefwaarden vormt een waardenkloof. En hoe kleiner de kloof kan worden gemaakt, hoe meer er betrokkenheid en verbondenheid ís.

Kwetsbaarheid is waardevol

Onze wereld heeft creativiteit, innovatie en leerervaringen nodig. Kwetsbaarheid is inherent aan leren en creëren. Want ja, groeien en leren ís niet gemakkelijk. Dus we moeten erop rekenen dat we te maken gaan krijgen met ongemakkelijke gevoelens. En beseffen dat dat normaal is en erbij hoort.  Ervaring met tegenslagen, en de volharding en veerkracht om ze te doorstaan, is een kenmerk van bezielde mensen. Worstelingen zijn een voorwaarde voor hoop.

Kwetsbaarheid is dus verschrikkelijk én verrukkelijk, en zeer waardevol.

Meer over Brené Brown vind je op: www.brenebrown.com